Groei

18 maanden

Slaappatroon

Bedtijd ligt nog altijd tussen 6 en 8 uur ’s avonds. Het kind neemt op deze leeftijd graag wat speelgoed mee naar bed, zijn teddybeer bijvoorbeeld. Het kind speelt er ook wel eens even mee, eer het in slaap valt, gewoonlijk onder de dekens. ’s Avonds of ’s nachts wakker worden komt af en toe voor, gewoonlijk na een extra drukke of opwindende dag. Men kan het gewoonlijk kalmeren door een paar woorden, een slokje water of door het zo nodig een plasje te laten doen.

Het kind ontwaakt tussen 6 en 8 uur ’s morgens. Gewoonlijk blijft het onder de dekens, praat tegen zijn teddybeer of speelt met een speelgoedje en als het kind denkt dat het tijd wordt om op te staan zal het beginnen te huilen of te roepen. Het is blij zijn moeder te zien en wil graag uit bed.

Evenals met vijftien maanden volgt een dutje onmiddellijk op de middagmaaltijd. Het kind kan al of niet speelgoed mee naar bed nemen; meestal is het zo hard aan slaap toe dat het zonder meer inslaapt.

Het dutje duurt anderhalf tot twee uur. Het kind wor¯t gewoonlijk opgewekt wakker en wil graag uit bed. Slechts zelden wordt het kind huilend wakker en dan kan men het beter eerst laten uitdraven voor men het op het potje zet.

Darm- en blaasfunctie


Stoelgang

Er is veel variatie wat tijd en omstandigheden betreft voor de ontlasting op deze leeftijd, hoewel elk kind er vrijwel vaste gewoonten op na houdt. Toch zijn schommelingen en onregelmatigheid op deze leeftijd gebruikelijk.

Een kind kan soms ontlasting krijgen vlak na de maaltijd, vervolgens halverwege de morgen, daarna halverwege de middag. Hierdoor is het ‘zindelijkheidsproces’ een moeilijke aangelegenheid worden.

Sommige kinderen tonen hun verlangen om droog te blijven door iets te zeggen of door het potje te halen en dikwijls merkt de moeder dat de ontlasting op komst is als het kind ineens stil wordt.


Blaas

De meeste kinderen hebben op deze leeftijd geen bezwaar meer tegen het potje, als ze er niet al te dikwijls op gezet worden. Soms vinden ze het zelfs prettig. Er zijn evenwel ouderen die nog heftig tekeergaan. Sommige kinderen nemen nu zelf al het initiatief en vragen er soms tijdig om; in dat geval gebruiken zij hetzelfde woord dat ze voor ontlasting gebruiken. Af en toe halen ze zelf het potje.

Activiteiten

Een peuter van achttien maanden heeft het altijd druk. Hij staat stevig op zijn benen en weet precies wat hij prettig vindt. Hij let niet zo veel op anderen dat hij veeleisend zou worden en hij roept gewoonlijk alleen hulp in wanneer hij in zijn bedrijvigheid in moeilijkheden is geraakt. Gewoonlijk speelt hij niet meer in de box, al kan hij dat soms liever doen dan in de tuin te spelen als zijn bewegingsdrang en activiteit laat ontwikkeld zijn.

Of de peuter zoet speelt hangt samen met het speelgoed dat hij heeft, of het hem boeit en of er niets bij is dan zijn ondernemingslust te zeer prikkelt. Daar hij zo graag de meubels van hun plaats brengt en overal opklimt is het verstandig losse kasten en kleine tafels en stoelen die hij kan verschuiven, uit de weg te zetten als hij alleen in zijn kamer speelt.

Moet de kast blijven staan, dan moeten de laden op slot zijn, anders haalt hij alles eruit, of de kast moet met de voorkant tegen de muur gezet worden. Ramen en schermen moeten goed vastgezet zijn. Binnenshuis speelt hij afwisselend met trekkarretjes, poppen, teddybeer, dan weer met potjes en pannetjes, ballen, blikkenkubus, hamerspel of tijdschriften (liefst met gekleurde plaatjes). Hij wordt soms boos wanneer de dingen niet gaan zoals hij wil, maar gewoonlijk roept hij geen hulp van de volwassene in. Buiten, op de veranda of in de tuin, speelt het kind graag met zijn gewone speelgoed, maar het liefst met zand. Het kind kan lange tijd achtereen zand in vormpjes doen en het er weer uit gooien, meestal buiten de zandbak.

21 maanden

Slaappatroon

Tot dusver sliep het kind gemakkelijk in, maar nu volgt dikwijls een periode van moeilijkheden en deze kan aanhouden tot dertig maanden. Moeilijkheden doen zich niet alleen voor bij het inslapen en tijdens de slaap, maar ook wanneer het kind wakker is. Sommige kinderen gaan eerst rustig liggen met boek, pop of teddybeer, maar roepen dan om moeder; ze willen herhaaldelijk op het potje, willen drinken, een zakdoek of een zoen, of wat ze maar bedenken. De slaap is op deze leeftijd veel onrustiger.

Sommige peuters worden ’s nachts wakker, maar komen meestal gauw tot rust als ze op het potje zijn geweest, wat gedronken hebben of een koekje hebben gehad. Er zijn kinderen die ’s morgens vroeg een uur of langer hardop liggen te praten.

De totale slaaptijd wordt bovendien bekort doordat de kleintjes ’s morgens vroeger wakker worden. Ze kunnen dan lastig zijn, maar als men naar hen toegaat en hen even helpt slapen ze soms weer een uur of langer.

Evenals ’s avonds kunnen de kinderen ’s middags soms moeilijk in slaap komen, maar de meesten vermaken zich heel goed en roepen niet om hun moeder. Ze kunnen soms een uur of langer wakker blijven en slapen soms pas in als ze nog even op het juiste moment ingestopt worden. Ze slapen meestal langer (ongeveer 2 uur) en hoewel ze gewoonlijk opgewekt wakker worden zijn ze ook wel eens verdrietig. In dat geval is geduld nodig, zodat ze langzaam tot zichzelf komen.

Darm- en blaasfunctie

De darmfunctie is vrijwel gelijk aan die van een peuter van achttien maanden. Knoeien met ontlasting wordt veelvuldiger, vooral na het dutje. Sommige kinderen laten zich nog niet op het potje zetten, terwijl andere geheel zindelijk zijn, vooral zij bij wie de ontlasting op een vaste tijd komt.

Bij kinderen die al eerder zindelijk waren treedt op deze leeftijd soms een terugval op als ze diarree hebben. Dit kan verband houden met het verschijnen van de kiezen of samenhangen met het pas verworven, al te krachtig werkend vermogen om de darm te legen. Het komt dikwijls voor dat ze dit met grote kracht doen, wat wijst op een sterk ontlastingsmechanisme.

De kinderen beseffen wat er gebeurt en letten op wat er komt. Is de luier vuil, dan komen ze soms niet meer van hun plaats en blijven wanhopig huilend staan; ze huilen door als ze verschoond worden. Deze reactie behoeft niet het gevolg te zijn van bestraffing. Soms kunnen de kinderen de ontlasting nog inhouden als ze te vroeg komt en dat geeft ook wel aanleiding tot huilen.

Hebben ze succes op het potje, dan zijn ze dikwijls blij en trots. Sommige kinderen, jongens speciaal, zien geen kans hun ontlasting kwijt te raken voor ze geheel ontkleed zijn. Misschien houdt dit wel verband met de neiging van kinderen van deze leeftijd om zich uit te kleden en naakt rond te rekken.

Blaas
Al zal een kind zich soms verzetten als men het op het potje wil zetten wanneer dat nodig is, toch zullen de kleintjes van deze leeftijd er over het algemeen weinig weerstand tegen bieden.

Met woorden of gebaren kan het kind aangeven of het zover is en velen gaan zelf al naar de wc, al kunnen ze zich nog niet zelf redden.

Ongelukjes komen ’s middags het meest voor. Kinderen vragen gewoonlijk ’s avonds bij het naar bed gaan eerder om de po dan ’s middags.

Activiteiten

Geleidelijk zijn de peuters minder lang alleen bezig; ze gaan meer op anderen letten. Wel spelen ze vaker kortere tijd alleen; ’s morgens hangt een peuter graag (tot ongeveer 10 uur) in de keuken rond, voor hij bereid is naar zijn kamer of naar zijn speelplaats buiten te gaan en blijft daar meestal zoet alleen, als hij zelf de deur achter zich dichtgetrokken heeft.

Binnenshuis speelt hij met plezier met een speelgoedtelefoon, een stokje met losse ringen of een klein kastje. Hij houdt ervan allerlei huiselijke bezigheden na te doen, zoals stof afnemen, laden opentrekken, voorwerpen op plan ken zetten.

Tijdschriften wil hij nog wel verscheuren en het kan even goed voorkomen dat hij het behang in de gaten krijgt en dan prikt hij er graag eens met een peutervingertje in.

2 jaar

Slaappatroon

Het tijdstip van inslapen is tot op zekere hoogte
afhankelijk van de tijd waarop het kind naar bed wordt gebracht, maar gewoonlijk
valt het niet voor 8 of 9 uur ’s avonds in slaap. Het middagdutje kan de slaap
van ’s nachts verdringen, dat wil zeggen: wanneer het kind geen dutje doet,
slaapt het vroeger in. Bij het inslapen gaat het net als op de leeftijd van 21
maanden; er wordt veel gevraagd en geëist.

Kinderen bij wie dit
verschijnsel al met 21 maanden optrad stellen vaak met 24 maanden minder eisen.
De kinderen die hiermee pas beginnen tussen 24 en 30 maanden zetten dit dikwijls
voort tot 36, ja zelfs tot 42 maanden.

Omstreeks 24 maanden vragen ze
voor het inslapen meestal om speelgoedbeesten, een paar boeken of een kussen.
Het kind roept zijn moeder nog om allerlei redenen terug, hoewel misschien
minder vaak dan vroeger. Het inslapen is voor de tweejarige verre van
gemakkelijk en overmatige spanning kan zich op allerlei manier ontladen –
spelen, spieractiviteit zoals springen, om moeder of vader roepen of om het
potje vragen.

Het kind kan drie- tot viermaal om het potje vragen en al
komt er dan geen plas, hij heeft waarschijnlijk toch aandrang. Wanneer de deur
op een kier blijft staan of het licht in de gang blijft branden, hebben sommige
kinderen blijkbaar het gevoel dat moeder dichterbij is; hun spanning wordt
minder.

Op deze leeftijd komt bij kinderen dikwijls een gevoel van angst
als ze alleen zijn; dat kan op van alles betrekking hebben. Het is een voorloper
van de sensatie die in het kind het besef wekt dat er nog een wereld is buiten
de realiteit. Het kind moet getroost en geholpen worden om angst te leren
verdragen.


Darm- en blaasfunctie

Darm
Ongelukjes komen minder
voor, hoewel ze periodiek terugkeren. Gewoonlijk komt er tweemaal ontlasting per
dag, na de maaltijden. Kinderen die ’s middags na het dutje ontlasting krijgen
worden moeilijker zindelijk. Het kind weet intussen het verschil tussen ‘plas’
en ‘druk’. Het kan zinnetjes zeggen als ‘moet bah doen’, of iets
dergelijks.

Al moet het kind geholpen worden om op een potje op de wc te
gaan, toch wil het daarna alleen gelaten worden en verzoekt zijn moeder of vader
dringend ‘weg te gaan’ of ‘naar beneden te gaan’. Zodra het kind echter klaar
is, roept het zijn moeder of vader terug om hem te helpen. Sommige kinderen
krijgen geen ontlasting wanneer zij op de wc worden gezet en wel als ze er zelf
op gaan.

Blaas
Overdag komen er minder ongelukjes voor, hoewel
zij periodiek nog wel optreden. Het kind kan de urine vrij lang ophouden (tot 2
uur) en vraagt zelf om het potje. ‘Moet een plasje doen’, ‘moet potje’ zijn veel
gebruikte uitdrukkingen. Het kind verzet zich gewoonlijk niet tegen vaste tijden
voor en na het slapen en in de loop van de morgen en middag, behalve wanneer het
geen plas kan doen.

Bij de meeste kinderen komt een periode van verhoogde
frequentie (om de twintig minuten) voor tussen 5 en 8 uur ’s middags. Sommigen
proberen zelf te gaan en slagen er dan wel in het broekje uit te trekken, maar
zijn dan soms niet bijtijds op het potje.

Ze beginnen inmiddels trots op
hun zindelijkheid te worden en zeggen dikwijls ‘flinke jongen’ of ‘flink meisje’
wanneer ze klaar zijn. Ze trekken zich hun ongelukjes ook sterker aan. Ze
beginnen opeens te huilen wanneer hun plas hen ontloopt en lopen niet graag meer
met natte kleren. Soms nemen ze zelf maatregelen, trekken het natte broekje uit
en deponeren het in de wasmand.


Activiteiten

Wanneer het kind op de leeftijd van 21 maanden niet
verstandig behandeld is, kan het zijn dat het nu niet alleen spelen wil ’s
morgens. Gelukkig is juist een kind dat gemakkelijk opgewonden raakt als er
anderen bij zijn gewoonlijk wel graag alleen en het kind dat rustig in de buurt
van de volwassene speelt zonder in de weg te lopen wil meestal niet alleen
spelen. Het kind is nu rustiger in zijn spel en kan langere tijd met hetzelfde
bezig zijn. Het houdt speciaal van dingen die bewegen of draaien, zoals
wagentjes en wielen. In de keuken gaat zijn hart uit naar elektrische
kloppers.

Speelgoed dat in elkaar geschroefd kan worden en zelfs een
schroevendraaier, die hij overigens niet zelfstandig kan hanteren, staan ook
sterk in de gunst.

Het kind stapelt zijn blokken, Duplo of Lego, nu ook
op elkaar en speelt bij voorkeur met blokken die in elkaar passen. De tweejarige
verzamelt vaak kiezelstenen, touwtjes, knikkers, kralen, flesjes en boekjes.
Gekleurde ansichten vindt hij ook prachtig. In navolging van het huishoudelijk
programma geeft hij nu ook zijn pop en teddybeer te eten, zet ze op het potje en
brengt ze soms naar bed, of gaat ermee uit rijden in de poppenwagen.

15 maanden

Slaappatroon

Bedtijd valt tussen 6 en 8 uur ’s avonds en zal geregeld en ordelijk een einde maken aan de bedrijvigheid van de dag. De volgorde kan bijvoorbeeld zijn: avondeten, bad, bed. Het kind schijnt te beseffen wanneer het tijd is om naar bed te gaan; het verwacht na bepaalde punten van het dagelijks programma naar bed gebracht te worden.

Of een kind in de nacht wakker wordt hangt af van zijn eigen aard; actieve kinderen komen dan meestal niet tot rust voor ze worden opgenomen. Men kan ze tot rust brengen door ze uit het raam naar lichtjes te laten kijken of door een ander spelletje.

Een dutje volgt gewoonlijk op de middagmaaltijd. Een algemene aanwijzing voor de behoefte aan slaap is dat het kind zijn schoenen uittrekt. Gewoonlijk gaat het dadelijk liggen en valt direct in slaap. Er zijn kinderen die nog korte tijd wakker blijven en een paar minuten met speelgoed bezig zijn, eer ze boven op de dekens in slaap vallen. Ze worden wakker na twee tot drie uren en zijn dan dadelijk bereid op te staan.

Darm- en blaasfunctie

Ontlasting
Een- tot tweemaal daags komt er ontlasting, al kan soms een dag overgeslagen worden; bij sommige kinderen komt de ontlasting nog in de morgen, bij het wakker worden of omstreeks het ontbijt. Er zijn er die vrij geregeld ’s middags ontlasting hebben, bij»oorbeeld na de middagmaaltijd of in aansluiting op het middagdutje. Verzet tegen de zitting op het potje – van twaalf tot vijftien maanden gebruikelijk – maakt plaats voor gewilligheid.

Wanneer het kind er op een gunstig moment, bijvoorbeeld vlak na de maaltijd, op wordt gezet (gewoonlijk na het ontbijt) bestaat er alle kans dat het zijn ontlasting in het potje zal deponeren.

Op sommige dagen zal het misschien geen ‘succes’ hebben, voor hij van het potje is opgenomen, al bleef hij er heel tevreden op zitten. Een gunstig moment om het kind op het potje te zetten kan zijn als zijn moeder opmerkt dat het kind plotseling heel stil wordt of zijn moeder aankijkt of knort en gaat hurken.

De peuter begint al te beseffen dat er ontlasting in zijn broekje terechtkomt en wordt onrustig, zegt ‘uh’ of grijpt naar zijn broek, om te kennen te geven dat hij verschoond wil worden, vooral wanneer er een ouder in de buurt is.

Hij eist minder aandacht op als hij in zijn bedje ligt of in zijn box speelt en doet af en toe zelfs pogingen eigenhandig zijn broek uit te trekken. Nu en dan komt het op deze leeftijd voor dat het kind met ontlasting gaat ‘smeren’, wanneer bij alleen in zijn bed ligt of in zijn box zit.

Het is van veel belang dat zijn kleren goed sluiten en er goed op gelet wordt dat hij niet met zijn ontlasting knoeien kan. Hij moet dan direct worden verschoond als hij zich bevuild heeft.

Blaas
De peuter is vaak droog na zijn dutje, wanneer hij onmiddellijk wordt opgenomen. Hij schijnt er op deze leeftijd meer besef van te hebben als hij nat is. Als hij door zijn broekje heen een plas op de vloer heeft gedaan kan hij ernaar wijzen en zeggen ‘ba-ba’ of enkel ‘da’.

Soms steekt hij zijn handen in het plasje of doet zijn best het met een of andere doek op te nemen. Hij reageert vrij geregeld met een plasje te doen als hij op een potje wordt gezet, vooral op geschikte momenten, bijvoorbeeld na de maaltijden en voor of na het slapen gaan.

Misschien doet hij de plas pas als hij van het potje opgenomen is, zoals dat ook bij de ontlasting het geval is. Verzet komt voor als men de peuter op het potje zet zonder dat hij er behoefte aan heeft, of midden op de morgen of middag. Sommige kinderen blijven nu al (tijdelijk althans) twee tot drie uren achtereen droog.

Spontane activiteiten en spel

Peuters van deze leeftijd kunnen heel zoet zelf bezig zijn op de volgende momenten: voor het opnemen ’s morgens vroeg, een uur lang in de kamer of het bedje en dan ’s morgens nog eens een uur in de box.

Ze kunnen niet te lang achtereen op dezelfde plaats blijven en houden van verandering. Naarmate de dag vordert stellen de kinderen meer eisen.

Als ze pas wakker zijn vragen ze niet om speelgoed, maar oefenen alle mogelijke bewegingen. Speelgoed willen ze hebben als ze naar hun kamer worden teruggebracht en zij houden er van naar allerlei bedrijvigheid te kijken als zij in hun box zijn, zoals bijvoorbeeld naar het verkeer en voorbijgangers. Hun voorkeur gaat uit naar ballen, lepels, kopjes, dozen en voorwerpen die in elkaar passen. Het rustigst spelen de kleintjes met speelgoed als zij tussen 9 en 10 uur alleen in de kamer zijn en ’s morgens hun bewegingsdrang in alle mogelijke gymnastische toeren hebben kunnen uitleven.

Dan proberen ze iets ergens in te mikken, halen het er weer uit, gooien een bal weg en halen hem terug en als zo’n peuter moe wordt gooit hij zijn speelgoed uit de box of het bedje, of legt het achter zich neer.

Sociaal gedrag

De periode van eenkennigheid, die omstreeks de eerste verjaardag valt, is gewoonlijk voorbij en een kind van vijftien maanden wil niets liever dan in zijn wandelwagentje eropuit trekken. Sommige peuters zitten of staan nog in de wandelwagen en genieten vooral van alle klanken uit de buitenwereld. Ze horen een hond blaffen, een paard trappelen, het ronden van een vliegtuig.

Bij een onverwacht schel geluid gaan ze wel eens huilen. Kijken doen ze ook graag, maar luisteren nog liever. Sommige peuters hebben een sterke bewegingsdrang en zeuren na een kwartier tot een half uur om uit de wagen te mogen en hem zelf te duwen.

Een uur lang uit met de wandelwagen is op deze leeftijd ruim voldoende. Een peuter van vijftien maanden houdt er zijn eigen opvatting van wandelen op na; hij bukt zich om stokjes te rapen, buigt zich voorover om tussen zijn benen door te kijken en brengt alles wat hij vindt naar zijn vader of moeder en oefent alle woorden die hij kent.

Meestal is zo’n kind dol op honden en zegt vaak ‘waf-waf’, doet alles na zoals roken, niezen, neus snuiten en lucifers uitblazen. In feite wordt een peuter zo bedrijvig dat hij geremd moet worden. Als hij aan tafel zit, wil hij alles hebben wat hij ziet. Hij heeft belangstelling voor alles wat hij in de huiskamer om zich heen ziet en als men ‘nee’ schudt trekt hij er zich weinig meer van aan; hij gaat doelbewust zijn eigen gang.

Wanneer hij in de huiskamer speelt moeten bepaalde voorwerpen buiten zijn bereik worden gezet. Zijn voorkeur gaat overigens nog steeds uit naar de prullenmand. Zijn blik doorzoekt een vertrek en schijnt er altijd de prullenmand uit te plukken. Niets vindt hij heerlijker dan de inhoud eruit te halen en er weer in te doen, al gebeurt dat laatste niet zo dikwijls.

Tegen het eind van de middag wil een peuter wel eens graag naar gekleurde plaatjes kijken en slaat zelf de bladzijden om. Hoort het kind muziek, dan danst het er heupwiegend bij.

Sociale begrippen

De ontwikkeling van sociale begrippen is afhankelijk van sociale interactie. Voor de kleuter zijn daarom gezinsverhoudingen het prototype van alle verhoudingen. Het begrip echtgenoot of partner kent het kind niet. Pas als zijn sociale ervaringen zich verruimen (zoals naar school gaan), breiden waarneming en begrip van sociale verhoudingen zich snel uit, tot het kind van negen jaar een uitgebreide collectie sociale begrippen kan hanteren.

Taalontwikkeling

De taal vormt de basis van alle sociale communicatie. De taal brengt ons een wereld die buiten ons waarnemingsvermogen ligt, dat wil zeggen: verleden, toekomst, wat zou kunnen gebeuren, wat elders gebeurt. Een groot deel van wat we geleerd hebben is afhay´kelijk van de taal. Taalkennis is essentieel voor bijna alle hogere mentale processen en daarmee voor de algemene en cognitieve ontwikkeling van het kind. Het vocaliseren van de zuigeling is voornamelijk afhankelijk van rijping van het zenuwstelsel en spierapparaat.

In de lalperiode produceert het kind alle geluiden die in welke taal dan ook voorkomen. Kinderen die doof zijn lallen overigens ook. Vaak wordt aangenomen dat het lallen een soort oefenen is. Dit is moeilijk vol te houden. Veel kinderen kunnen bepaalde medeklinkers (zoals de r) lange tijd niet uitspreken, hoewel ze dat in de lalperiode wel konden.
Bovendien moet de taal, in tegenstelling tot de brabbelperiode, aan drie criteria voldoen, en wel:

  • Een taaluiting moet soliditeit bezitten, herhaald kunnen worden.
  • Speelse fonetische elementen moeten tot een foneem gebundeld worden.

Ten slotte geldt als criterium het sociale element.

De peuter kan aan deze criteria nog niet direct voldoen. Het differentiatieproces is nog onvoldoende voortgeschreden. Pas tegen het eind van het eerste levensjaar begint het kind zinvolle associaties te leggen tussen woorden en kun betekenis. Met ongevey´r een jaar zal het zijn eerste woord uitspreken, waarna een periode van ongeveer drie maanden volgt gedurende welke de taalontwikkeling slechts langzaam vordert. Dan doet zich een snelle verbetering voor. Geleidelijk met de toenemende woordkennis wordt de spraak nauwkeuriger.

De spraak van de peuter van achttien maanden bestaat voor zestig procent uit zelfstandige naamwoorden en tussenwerpsels, maar dit percentage wordt geleidelijk minder. Tussen de twee en drie jaar gebruikt het kind naast de zelfstandige naamwoorden bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden.
De tweejarige spreekt met één-woord-zinnen. Tussen 3 en 3,5 jaar verbetert de articulatie bijzonder snel. Met 3,5 jaar maakt het kind zinnen van gemiddeld vier woorden, maar een half jaar later gebruikt het kind volledige zinnen van zes tot acht woorden.

Langzamerhand verbetert zich dan de grammaticale structuur.

Hoewel de omgeving de vroege spraakontwikkeling van de peuter gunstig of ongunstig kan beïnvloeden, geldt dit voor de kleuterperiode in veel sterkere mate. Ongunstige omstandigheden gedurende de eerste drie levensjaren leiden tot een beperking van de verbale vaardigheid, die niet meer in te halen is, ook al verbetert zich de situatie aanmerkelijk.
Het enig kind is in het algemeen voor op kinderen uit grote gezinnen (die minder met volwassenen en meer met elkaar communiceren).

Tweelingen, die sterk op elkaar betrokken zijn, zijn langzamer dan andere kinderen. Kinderen uit de lagere sociale milieus hebben een achterstand ten opzichte van de kinderen uit de hogere milieus, enerzijds door de geringere taalvaardigheid van de ouders, anderzijds door de geringere waardering van taalvaardigheid. Het is gebleken dat bij verhoogde stimulering door de omgeving de spraak van jonge kinderen uit de lagere milieus verbetert.

Hoewel de taal in het begin nog alleen als communicatiemiddel dient, wordt meer en meer ook het gedrag door de taal beheerst. Zuigelingen reageren niet op verbale instructies. Tussen een en twee jaar volgt een oriënteringsreactie, terwijl zulke instructies bij drie tot vierjarigen effectief kunnen zijn als het gaat om een actie waarmee het kind reeds begonnen was. Vanaf de leeftijd van zes jaar is de taal betrokken bij vrijwel alles wat het kind nieuw leert en laat het zijn gedrag leiden door de verbale bemiddeling.

Intelligentie

Er bestaan vele definities van het begrip intelligentie. In de meeste definities komen de volgende aspecten naar voren: het in abstracte begrippen kunnen denken en redeneren en het kunnen gebruiken van deze functies voor aanpassingsdoeleinden.
Zo gedefinieerd is intelligentie dus afhankelijk van taalvaardigheid. De tests voor zuigelingen bestaan dan ook uit andere, namelijk sensomotorische opgaven en kunnen dus de latere intelligentie van een kind niet voorspellen. Zij hebben echter nut voor het constateren van neurologische en mentale tekortkomingen.

Hoe groter het aantal verbale opgaven van een test met toenemende leeftijd wordt, des te nauwkeuriger kan de volwassen intelligentie voorspeld worden. Relatief betrouwbare gegevens zijn pas te verwachten van zes tot zeven jaar. Het intelligentiepeil hangt af van erfelijkheidsfactoren en van de omgeving. Verschillende onderzoekingen laten er weinig twijfel over bestaan dat erfelijkheidsfactoren grenzen bepalen waarbinnen de omgeving kan remmen of bevorderen.
Welke nu zijn deze omgevingsfactoren? Angst reduceert het prestatieniveau.

Ook motivatie beïnvloedt de uitvoering van specifieke taken. Verder heeft taalontwikkeling een belangrijke invloed. Het hoeft dus geen verwondering te wekken dat kinderen uit lagìre sociaal-economische milieus lager scoren dan kinderen uit hogere milieus. Vele opgaven zijn theoretische taken waaraan in hogere milieus meer waarde wordt gehecht dan in lagere, zodat ze kinderen uit hogere milieus meer aanspreken.
Verder werd reeds vermeld dat de taalontwikkeling in de lagere milieus wat achterblijft, zodat kinderen uit lagere klassen in het nadeel zijn.

Het is gebleken dat bij verhuizing naar een meer stimulerende buurt de intellectuele prestaties toenemen.
Welke factoren spelen een rol bij individuele schommelingen in het intelligentieniveau? In de eerste plaats de algemene gezondheidstoestand. Verder psychologische aanpassing en huiselijke omstandigheden. Bij plotselinge verslechteringen van schoolprestaties zal de schoolpsycholoog altijd vragen naar moeilijkheden of veranderingen thuis of op school.

4 weken

Slaappatroon

Inslapen
De zuigeling valt zachtjes in slaap tegen het eind van de voeding, terwijl het drinken af en toe onderbroken wordt. Als hij na een voeding wakker blijft, zal hij vermoedelijk gaan huilen voor de volgende slaapperiode.

Wakker worden
De zuigeling huilt wanneer hij wakker wordt. Hij kan eventjes ophouden wanneer zijn luier wordt verwisseld, vooral wanneer deze alleen nat is. Gewoonlijk huilt hij door tot hij gevoed wordt.

Aantal slaaptijden
Vier of vijf per etmaal. Werd het kind zeven tot achtmaal opgenomen vanaf de geboorte, dan zal men dit terugbrengen tot vier of vijf door twee slaaptijden te combineren.

Darm- en blaasfunctie

Darm
Een- tot drie- of zelfs viermaal ontlasting bij het wakker worden.

Blaas
De zuigeling huilt soms wanneer zijn luier nat is en wordt stil als hij verschoond is. Dit duurt slechts kort en verandert na zes weken.

Spontane activiteiten

De zuigeling kijkt naar lichtbronnen en ramen. Hij houdt ervan zijn hoofd en arm naar een bepaalde kant te keren. Hij kan boos worden als hij met zijn rug naar het licht wordt gelegd. Hij wordt stil wanneer hij weer naar het licht toe wordt omgelegd.

Hij heeft behoefte aan licht en heldere kleuren, maar geen schel zonlicht; daarop reageert hij heftig met verweer. Naderhand, op de leeftijd van acht tot tien weken, komt er voorkeur voor de kleuren rood en oranje. Intens huilen kan soms tot bedaren worden gebracht door een kleurig kussen binnen zijn gezichtsveld te leggen.

Sociaal gedrag

De zuigeling kijkt naar gezichten die vlak bij hem zijn. Wanneer hij ’s avonds huilt kan het zijn dat hij op zijn manier om contact met de omgeving vraagt. Met acht weken volgt hij graag bewegingen en vindt hij het prettig wanneer er mensen door de kamer lopen.

16 weken

Slaappatroon

De zuigeling valt vrijwel dadelijk na zijn middagvoeding van 6 uur in slaap.

Wakker worden
De tijd van ontwaken is verschillend bij diverse kinderen en ligt tussen 5 en 8 uur in de ochtend. Kinderen die vroeg wakker worden beginnen gewoonlijk niet te huilen, maar liggen te kneuteren en spelen met hun vingers of met het lakentje, tot ze honger krijgen. Als ze naar hun voeding verlangen worden ze lastig.

Inslapen en wakker worden
De zuigeling valt gewoonlijk na de voeding niet direct weer in slaap, maar blijft een tijdje liggen tateren of met zijn handen spelen. Voor het inslapen huilt hij misschien, hoewel niet voor elk dutje.

Dagindeling
Drie dutjes per etmaal zijn typisch voor deze leeftijd, maar het kunnen er ook twee of vier zijn. Dutjes worden gedaan: vroeg in de morgen, laat in de morgen, ’s middags en ’s avonds. Het vroege ochtenddutje kan samenvallen met de nachtelijke slaap, vooral wanneer het kind later wakker wordt (omstreeks acht uur ’s morgens).
Het dutje aan het einde van de ochtend kan vervangen worden door dat van de middag. Een dutje ’s avonds is ongewoon en komt alleen voor wanneer het kind terugvalt op een oude gewoonte en ’s avonds laat wakker is, net als baby’s van jonge leeftijd.

Darm- en blaasfunctie

Darm
Een- of tweemaal per dag komt er ontlasting, ofschoon ook herhaaldelijk een dag kan worden overgeslagen. De tijd voor ontlasting is wisselend bij verschillende kinderen; doorgaans zal het bij eenzelfde kind steeds op dezelfde tijd komen.

Komt de ontlasting niet vlak na de voeding, dan gebeurt het misschien in het speeluur tussen 6 en 10 uur ’s avonds. Heeft het kind ontlasting onder de voeding, dan spuwt het soms daarbij.

Spontane activiteiten

De perioden van wakker zijn worden langer en worden vaak besteed aan lichamelijke oefeningen, zoals trappelen, het hoofd schudden en zich op de andere zij wentelen.

De zuigeling is nu in staat allerlei voorwerpen te pakken en heeft vooral plezier in een heen en weer dansend stukje speelgoed. Hij vindt het ook gezellig om zijn handjes tegen elkaar te klappen en zuigt nogal eens op duim en vingers voor en na de maaltijden.
Hij is nu ook bijzonder babbelachtig, maakt allerlei klanken met kenbaar plezier, vooral ’s ochtends vroeg en in de namiddag. Babbelen en huilen kunnen snel in elkaar overgaan.

Sociaal gedrag

Er is op deze leeftijd een toenemende behoefte aan gezelschap. Dit kan tot uiting komen bij de voeding, dikwijls voor elke maaltijd, hoewel sommige zuigelingen juist tijdens of na de maaltijden contact zoeken

Juist deze behoefte aan sociaal contact is vooral sterk tegen het eind van de dag, omstreeks 5 uur ’s middags; de zuigeling houdt er van om uit zijn bedje getild te worden voor een uurtje van gezelligheid.