Groei

Begripsvorming

Waarneming en begripsmatig denken zijn nauw met elkaar verbonden. Beide functies
hebben een grote betekenis voor de wijze waarop de mens de wereld organiseert en
herkent. Waarneming wordt beschouwd als de organisatie van eenvoudige
zintuiglijke impressies. Begripsvorming heeft betrekking op het definiëren van
kritische kenmerken die objecten of gebeurtenissen gemeen hebben of van elkaar
doen verschillen.

Begrippen kunnen pas ontstaan tijdens het verwerven van de
moedertaal.

Door een ding een naam te geven verklaren we impliciet dat
het is als andere dingen die dezelfde naam dragen en anders is dan dingen die
andere namen dragen. Door een object een bepaalde naam te geven duiden we aan
dat we met dat object hetzelfde kunnen doen als met andere objecten die dezelfde
naam hebben.
De eigenschappen van een bepaald begrip geven dus de wijze aan
waarop ervaring georganiseerd wordt. Nadat een kind geleerd heeft welke naam bij
een bepaald object hoort zal het op andere objecten met dezelfde naam op
dezelfde manier reageren.

Dit wordt wel ‘verbale bemiddeling’ genoemd.
Deze bemiddeling is zeer belangrijk voor het denken en oplossen van problemen.
De eerste begrippen die een kind leert hebben een globale betekenis. ‘Poes’
betekent behalve poes ook hond, konijn enzovoort. Naarmate het kind meer woorden
leert, treedt er een differentiatie op.
Leert het kind bijvoorbeeld het
begrip ‘hond’, dan zal het een hond niet meer poes noemen. Het zal ook zien dat
een hond anders is dan een poes. Met twee tot drie jaar zijn hond en poes elkaar
uitsluitende begrippen.

Op deze leeftijd zijn begrippen nog steeds
concreet, verbonden aan werkelijke objecten.
Pas wanneer een kind over
kenmerken kan praten en denken, ze kan beschrijven, spreken we van echte
begrippen. Echte begrippen verschijnen pas in de late kleuterjaren. De kleuter
kan wel verschillen tussen objecten hanteren, maar nog geen overeenkomsten. Hij
kan wel zeggen ‘honden blaffen, katten miauwen’, maar hij kan niet de
gemeenschappelijke kenmerken (vier poten, vacht, enzovoort) uit verschillende
concepten halen.

Categorieën van een hoger plan

De vaardigheid in het zien van overeenkomsten teneinde
zo categorieën van een hoger plan te vormen, wordt pas tijdens de schooljaren
bereikt. Tot de leeftijd van zes jaar worden de begrippen van een kind bepaald
door zijn eigen ervaring. Daarna worden ze meer gedifferentieerd, scherper en
logischer, een ontwikkeling die zich tot in de volwassenheid voortzet. Het kind
van zes kan vele begrippen vormen die in wezen lijken op die van volwassenen,
maar die door gebrek aan ervaring nog ‘verkeerd’ gebruikt worden.

Met
betrekking tot hoeveelheden kennen twee- tot driejarigen de begrippen groter en
kleiner, meer en minder en een meer dan een. Langzamerhand leert het kind twee,
drie of vier objecten te benoemen. Met vijf jaar echter kan het nog niet
abstract twee plVs drie optellen tot vijf. Hoeveelheidsnamen zijn nog gebonden
aan concrete objecten.
Ook kwantitatieve noties als veel, weinig enzovoorts
zijn door hun concreetheid sterk gebonden aan waarnemingskwaliteiten. Schuift
men objecten dichter naar elkaar toe, dan zal het kind zeggen dat het er minder
zijn dan eerst.

Tijdsbegrip

Het tijdsbegrip betekent voor jonge kinderen weinig en is aanvankelijk erg concreet gebonden aan bepaalde gebeurtenissen als eten en slapen. Heel langzaam leren kinderen het abstracte tijdsbegrip dat door gemeten intervallen gekenmerkt wordt (dit ter onderscheiding van de beleefde tijd, minuten van spanning die uren lijken).
Tussen vier en zes jaar leert het kind begrippen als welke dag van de week het is, wanneer het jarig is, hoe oud het wordt bij de volgende verjaardag. Aan het eind van de kleuterfase heeft het kind nog geen voltooid verwijzingskader van de tijd, maar het heeft slechts enkele ongecoördineerde noties over verleden, heden en toekomst.

Ruimtebegrip

Wat betreft het ruimtebegrip ontwikkelt het kind al vroeg een gevoel voor de omgeving. Het beweegt zich gemakkelijk in bekende ruimten. Als kleuter gaat de lichaamsruimte een rol spelen: voor mij, achter mij, enzovoort. Objectruimte verschijnt als het kiüd objecten in relatie zet tot elkaar, meestal gedurende de kleuterjaren. Tegen een jaar of zes worden deze ruimten gecoördineerd. Pas na deze leeftijd ontwikkelt zich de kaartruimte, een soort mentale kaart waarin kennis over de ruimte wordt verwerkt, zodat kleuters met bijvoorbeeld een doolhof weinig kunnen beginnen.