Groei

Intelligentie

Er bestaan vele definities van het begrip intelligentie. In de meeste definities komen de volgende aspecten naar voren: het in abstracte begrippen kunnen denken en redeneren en het kunnen gebruiken van deze functies voor aanpassingsdoeleinden.
Zo gedefinieerd is intelligentie dus afhankelijk van taalvaardigheid. De tests voor zuigelingen bestaan dan ook uit andere, namelijk sensomotorische opgaven en kunnen dus de latere intelligentie van een kind niet voorspellen. Zij hebben echter nut voor het constateren van neurologische en mentale tekortkomingen.

Hoe groter het aantal verbale opgaven van een test met toenemende leeftijd wordt, des te nauwkeuriger kan de volwassen intelligentie voorspeld worden. Relatief betrouwbare gegevens zijn pas te verwachten van zes tot zeven jaar. Het intelligentiepeil hangt af van erfelijkheidsfactoren en van de omgeving. Verschillende onderzoekingen laten er weinig twijfel over bestaan dat erfelijkheidsfactoren grenzen bepalen waarbinnen de omgeving kan remmen of bevorderen.
Welke nu zijn deze omgevingsfactoren? Angst reduceert het prestatieniveau.

Ook motivatie beïnvloedt de uitvoering van specifieke taken. Verder heeft taalontwikkeling een belangrijke invloed. Het hoeft dus geen verwondering te wekken dat kinderen uit lagìre sociaal-economische milieus lager scoren dan kinderen uit hogere milieus. Vele opgaven zijn theoretische taken waaraan in hogere milieus meer waarde wordt gehecht dan in lagere, zodat ze kinderen uit hogere milieus meer aanspreken.
Verder werd reeds vermeld dat de taalontwikkeling in de lagere milieus wat achterblijft, zodat kinderen uit lagere klassen in het nadeel zijn.

Het is gebleken dat bij verhuizing naar een meer stimulerende buurt de intellectuele prestaties toenemen.
Welke factoren spelen een rol bij individuele schommelingen in het intelligentieniveau? In de eerste plaats de algemene gezondheidstoestand. Verder psychologische aanpassing en huiselijke omstandigheden. Bij plotselinge verslechteringen van schoolprestaties zal de schoolpsycholoog altijd vragen naar moeilijkheden of veranderingen thuis of op school.

4 weken

Slaappatroon

Inslapen
De zuigeling valt zachtjes in slaap tegen het eind van de voeding, terwijl het drinken af en toe onderbroken wordt. Als hij na een voeding wakker blijft, zal hij vermoedelijk gaan huilen voor de volgende slaapperiode.

Wakker worden
De zuigeling huilt wanneer hij wakker wordt. Hij kan eventjes ophouden wanneer zijn luier wordt verwisseld, vooral wanneer deze alleen nat is. Gewoonlijk huilt hij door tot hij gevoed wordt.

Aantal slaaptijden
Vier of vijf per etmaal. Werd het kind zeven tot achtmaal opgenomen vanaf de geboorte, dan zal men dit terugbrengen tot vier of vijf door twee slaaptijden te combineren.

Darm- en blaasfunctie

Darm
Een- tot drie- of zelfs viermaal ontlasting bij het wakker worden.

Blaas
De zuigeling huilt soms wanneer zijn luier nat is en wordt stil als hij verschoond is. Dit duurt slechts kort en verandert na zes weken.

Spontane activiteiten

De zuigeling kijkt naar lichtbronnen en ramen. Hij houdt ervan zijn hoofd en arm naar een bepaalde kant te keren. Hij kan boos worden als hij met zijn rug naar het licht wordt gelegd. Hij wordt stil wanneer hij weer naar het licht toe wordt omgelegd.

Hij heeft behoefte aan licht en heldere kleuren, maar geen schel zonlicht; daarop reageert hij heftig met verweer. Naderhand, op de leeftijd van acht tot tien weken, komt er voorkeur voor de kleuren rood en oranje. Intens huilen kan soms tot bedaren worden gebracht door een kleurig kussen binnen zijn gezichtsveld te leggen.

Sociaal gedrag

De zuigeling kijkt naar gezichten die vlak bij hem zijn. Wanneer hij ’s avonds huilt kan het zijn dat hij op zijn manier om contact met de omgeving vraagt. Met acht weken volgt hij graag bewegingen en vindt hij het prettig wanneer er mensen door de kamer lopen.

Groei en ontwikkeling

De lichamelijke ontwikkeling van de zuigeling en het kind wordt gekenmerkt door een aantal fundamentele principes.

In dit verband kan allereerst genoemd worden de zogeheten cefalocaudale groeirichting. Het kind ontwikkelt zich in een richting die van het hoofd naar de voeten verloopt.

In de tweede plaats is er sprake van een ontwikkeling in proximodistale richting. De centrale delen van het lichaam zijn vroeger rijp dan de meer perifere delen.

Een derde ontwikkelingsverloop voltrekt zich voor wat de motoriek betreft van massaal naar specifiek. De eerste reacties van een zuigeling zijn massaal en ongedifferentieerd. Langzamerhand treedt een proces van verfijning op. Bewegingen worden nauwkeuriger en preciezer, overtollige en massale bewegingen verdwijnen.
Alle veranderingen die een individu ondergaat en de karakteristieke kenmerken die een persoon zich verwerft, berusten op twee fundamentele processen: rijping en leren.

Rijping en leren

Onder rijping verstaat men de ontwikkeling van het individu als een functie van de tijd, dat wil zeggen relatief onafhankelijk van omgeving, ervaring en oefening. Rijping refereert onder andere aan morfologische, fysiologische, biochemische en moleculaire veranderingen vanaf de bevruchting tot aan de dood.
Leren kan men in zijn algemeenheid definiëren als een verandering in het gedrag als gevolg van ervaring.

Rijping en leren beïnvloeden elkaar en het is moeilijk de specifieke bijdrage van elk te onderscheiden.
Het groeien van een kind is een rijpingsproces, maar hoe staat het met complexe motorische mechanismen als lopen, leren fietsen enzovoort. Als algemeen principe geldt dat rijping essentieel is voor het leerproces. Zo heeft het weinig zin met een kind het lopen te oefenen zolang de hiervoor noodzakelijke delen van het bewegingsapparaat (spieren, gewrichten, zenuwverzorging) nog niet rijp zijn.

Mijlpalen

De ontwikkeling van de mens wordt vaak ingedeeld in mijlpalen, fasen of stadia. Zo’n indeling wordt dan gekenmerkt door het verschijnen of verdwijnen van bepaalde reflexen, reacties of gedragsvormen, door bepaalde gebeurtenissen of door andersoortige situaties. Dergelijke indelingen verschillen van auteur tot auteur.

De wijze waarop iemand een continu verloop in fasen verdeelt, is een kwestie van prioriteiten, van kenmerken die hij voor typisch houdt. De betekenis van dergelijke schema’s en tabellen schuilt in de mogelijkheid om, met inachtneming van een bepaalde biologische variatie, kenmerkende aspecten van vertraging in de ontwikkeling van een gestoord ontwikkelingsproces te diagnosticeren.

Vooral bij de diagnostiek van een achterstand in de motorische ontwikkeling, waarbij bepaalde vormen van bewegingstherapie een essentiële rol kunnen spelen, zijn dergelijke schema’s van groot praktisch nut gebleken. In de eerste levensfase (0 tot 10 maanden) is de biologische variatie in doorgaans kleiner dan in latere fasen. De leeftijd waarop bepaalde complexe gedragsvormen of gebeurtenissen voorkomen kan echter zeer uiteenlopen.
Een kind kan vroeg leren lopen en laat leren praten. Sommige kinderen leren er lange tijd niets bij en lijken dan plotseling alles in hoog tempo in te halen. Sommige kinderen zijn met alles vroeg en andere met alles laat, zonder dat zij later als volwassenen specifieke lichamelijke of psychische verschillen vertonen.

Het spreken

De geluidsproductie in de eerste levensmaanden is vooral een motorische functie,
die zich vermoedelijk op basis van een rijpingsproces ontwikkelt. Kinderen die
jonger dan twee maanden zijn kunnen ongeveer zeven fonemen uiten (fonemen zijn
de kleinste klankeenheden die voor spreker en luisteraar iets te betekenen
hebben).

Drie maanden

Met ongeveer drie maanden produceren baby’s herkenbare lettergrepen
zoals dadada. Overigens produceren zuigelingen in deze fase geluiden puur voor
hun plezier.

Zes maanden

Rond de leeftijd van zes maanden begint het zogenaamde
lallen. De zuigeling gebruikt nu ongeveer twaalf fonemen. De zuigeling ‘praat’
nu als het ware wanneer iemand zich met hem bezighoudt. De lettergrepen worden
duidelijker en scherper. Het imiteren van“geluiden die anderen maken begint met
ongeveer negen maanden. Vanaf dit tijdstip kan het kind ook verband leggen
tussen woorden en hun betekenis.

Tien, elf en twaalf maanden

Omstreeks de leeftijd van tien maanden is
het kind in staat eenvoudige opdrachten te begrijpen. Met elf tot twaalf maanden
spreekt de zuigeling zijn eerste woord, meestal ‘mama’ of ‘papa’.

De
passieve taalkennis is dus groter dan de actieve, een fenomeen dat gedurende de
rest van ons leven blijft bestaan. Daar de vroege productie van geluiden zich
ontwikkelt op basis van het rijpingsproces, verloopt de ontwikkeling in een
bepaalde volgorde. Zo verschijnen de geluiden die achter in de mond gevormd
worden het eerst (bijvoorbeeld H), waarna de geluiden die met behulp van tanden
en lippen gemaakt worden volgen.
Kinderen, geboren in verschillende landen,
uiten dezelfde klanken in dezelfde volgorde.

De klanken die in het
taalgebied waar het kind opgroeit niet voorkomen verdwijnen echter weer,
vermoedelijk omdat ze niet gehoord of geoefend worden.
Hoewel de volgorde van
de ontwikkelingsfasen voor alle kinderen vrijwel gelijk is, zijn er vrij grote
verschillen in frequentie en variatie van geluiden, alsmede in de duur van de
verschillende fasen:

– brabbelfase;
– lalfase;
– éénwoordfase
enzovoort.

Gedeeltelijk berusten deze verschillen op verschil in rijping.
In tegenstelling echter tot de ontwikkeling van de motoriek speelt hier de
omgeving een belangrijke rol.
Kinderen uit tehuizen blijven in frequentie en
variatie van geluiden achter bij gezinskinderen; kinderen uit een
werknemersmilieu blijven achter bij kinderen uit de middenklasse.
Het is
gebleken dat de frequentie van spraakgeluiden kan worden verhoogd door beloning
(toelachen enzovoort).

Vermoedelijk berust een deel van de motivatie van
een zuigeling om geluiden te produceren, later te imiteren en ten slotte woorden
te spreken, op beloning door de omgeving in de zin van aandacht, toelachen,
vertroetelen. De spraakontwikkeling kan dus wel degelijk door de omgeving worden
vertraagd of gestimuleerd.

Cognitieve functies

De cognitieve psychologie houdt zich bezig met het verwerven van kennis over de aard, de oorsprong en de ontwikkeling van de hogere mentale processen, zoals waarnemen, denken, begripsvorming, taal, intelligentie en abstractie. Cognitieve processen ontwikkelen zich gelijktijdig, beïnvloeden elkaar en zijn van elkaar afhankelijk en soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Verder staat uiteraard de cognitieve ontwikkeling niet los van andere aspecten van de psychische ontwikkeling.

Motivatie beïnvloedt in sterke mate het denken, waarnemen en oplossen van problemen.
Ook de persoonlijkheidsstructuur en de psychoactiviteit hebben echter een sterke invloed op de cognitieve functies.
Een van de belangrijkste grondleggers van de cognitieve psychologie was prof. Jean Piaget. De theorie van Piaget heeft drie belangrijke kenmerken.

In de eerste plaats gaat hij ervan uit dat mensen inderdaad georganiseerde mentale structuren zijn om de werkelijkheid van alledag te begrijpen.

Ten tweede stelt Piaget dat de mens tijdens zijn ontwikkeling spontaan nieuwe structuren opbouwt. Hoe ouder het kind, des te stabieler en krachtiger zijn de structuren. Oudere mentale structuren gaan in op nieuwe structuren, dat wil zeggen: de mentale structuren van zuigeling, kind en volwassenen zijn kwalitatief anders.

Ten derde ziet Piaget wetenschappelijk denken als het hoogste stadium, een stadium dat volgt op andere, stabiele en georganiseerde vormen van denken.
Het kenmerkende van wetenschappelijk denken is het systematisch in het openbaar rechtvaardigen van conclusies. Het kind in de onderzoeksituatie moet dan ook een oordeel geven en dit oordeel in de sociale situatie van het onderzoek rechtvaardigen. Piaget ziet de cognitieve functies als aanpassingsgedrag. Hij deelt de cognitieve ontwikkeling in in drie min of meer onderscheiden hoofdfasen, die stapsgewijs in elkaar overgaan:

– sensomotorische handelingen;
– concrete handelingen;
– formele handelingen.

Waarneming

In het begin van de zuigelingenperiode is de wereld nogal diffuus georganiseerd.
Wat het kind ziet, passeert de revue zonder enige betekenis. Toch worden er
reeds snelle verbindingen gelegd tussen gebeurtenissen, maar het betreft meestal
een heel persoonlijke relatie. Dit persoonlijke is niet op te vatten als ‘ik’,
daar de zuigeling nog geen onderscheid kan maken tussen ‘ik’ en de rest van de
wereld.
Heeft het kind honger, dan is er alleen maar honger (de wereld is
honger). Men noemt dit ook wel egocentrisme, waarmee een gevangen zijn in de
eigen ervaring wordt bedoeld.

Een wereld buiten deze momentane ervaring
bestaat nog niet. In de eerste weken van zijn leven is de informatieve waarde
van de waarnemingen voor het kind zeer gering. Vermoedelijk ziet de baby dat wat
wij zien als we afwezig staren. Ongeveer dezelfde vaagheid bestaat met
betrekking tot het gehoor en gevoel.
De teruggetrokkenheid van de wereld
wordt slechts doorbroken door plotselinge heftige prikkels, zoals fel licht,
luide knallen en pijn, honger en kou. De gebeurtenissen in de directe omgeving
van de zuigeling zijn dus neutraal, zoals ook dat wat we zien als we staren
neutraal is, of angstwekkend.

Differentiëren

Na een aantal weken gaat de zuigeling
differentiëren. Naast ongerief en neutraliteit kent hij nu plezier. Langzaam
onderscheidt hij iets warms dat hem in de armen houdt: de moeder. Naast plezier
en lustervaring in de orale sfeer, geniet hij ook van huidcontact en
schommelbewegingen.
Het kind neemt nu een aantal objecten bewuster waar, in
die zin dat het objecten zijn die een emotionele betekenis hebben: flesje (warm,
verzadiging), moeder (troost, warm, eten). De zuigeling neemt steeds de
betekenis eerder waar dan het object zelf. Bij volwassenen blijft dit in mindere
mate ook het geval.

In het begin hebben objecten betekenis voor wat ze
voor het kind kunnen doen, na een maand of drie voor wat het kind met de
objecten kan doen. Het kind differentieert objecten alleen naar deze betekenis.
Uit het ongedifferentieerde, vage waarnemingsveld treden die aspecten naar voren
die voor het kind betekenis hebben.
Op dezelfde wijze krijgt ruimte
betekenis. Zolang ruimten of ruimtelijke aspecten voor het kind geen betekenis
hebben omdat die ruimte nog geen appèl tot activiteiten bewerkstelligt, zolang
is die ruimte voor het kind praktisch niet existerend.

De waarneming van
de wereld groeit dus uit behoeften en emoties enerzijds en motorisch gedrag
anderzijds. Wat een kind met objecten doet hangt niet alleen af van wat het
ermee kan doen maar ook van het denkt dat het ermee kan doen (niveau van
ontwikkeling van het zenuwstelsel en bewegingsapparaat) en van de momentane
motivatie (is het nieuw, bekend, heeft het kind er net mee gespeeld).
Heeft
een object uitnodigingskarakter, dat wil het kind ermee spelen. Zijn er te veel
objecten die het kind tot actie inviteren, dan raakt het verward.

Het
kind is aan de invitaties uitgeleverd en kan zich dus niet van een aantal
voorwerpen afwenden om zich tot één voorwerp te beperken.
Voor de waarneming
is het actief manipuleren van groot belang (vergelijk ‘begrijpen’). Het niet
kunnen manipuleren met iets leidt tot afwijkingen in de ruimtelijke
waarneming.

Visuele waarneming

De visuele waarneming is voor volwassenen de belangrijkste waarnemingsvorm.
Hieraan gaat echter een lang ontwikkelingsproces vooraf. De eerste zes maanden
is de mond voor het kind het belangrijkste waarnemingszintuig. Na een half jaar
vooral de tastzin en het manipuleren. Zodra het kind kan lopen doet het ervaring
op met de gehele motoriek. Het kind ziet iets en wil het betasten. Het is een
belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling als het kind veel later een object kan
zien zonder het te betasten.

De waarneming van verschillen in vorm is
reeds vroeg aanwezig. Baby’s van een paar weken kunnen verschillen in vorm van
objecten waarnemen. Met anderhalf jaar heeft het kind een uitgesproken
belangstelling voor vormen. De drie- tot zesjarigen hebben meer belangstelling
voor kleuren dan voor vormen. Na die leeftijd is de vorm weer belangrijker.
Onderscheid tussen getallen en letters wordt geleidelijkaan geleerd en is met
vijf jaar goed ontwikkeld.

Onderscheidingsvermogen

Onderzoekingen hebben aangetoond dat het
onderscheidingsvermogen van op elkaar lijkende letters zoals p en q, d en b
tussen de leeftijden van vier tot acht jaar gestaag verbetert. De waarneming van
delen en details ontwikkelt zich geleidelijk met het toenemen van de leeftijd
tot een jaar of achttien.
Toont men een vierjarige een plaatje met strepen en
in een hoek een cirkel, dan zal deze de cirkel niet noemen, een zevenjarige wel.
Het herkennen van geometrische figuren in ingewikkelde patronen lukt de
zesjarigen nauwelijks.

De acht tot tienjarigen brengen het er veel beter
af, maar ondervinden toch veel moeilijkheden. Een belangrijke verbetering vindt
plaats tussen de tien en dertien jaar, waarna de prestaties verder verbeteren
tot na de puberteit.
De waarnemingsconstanties ontwikkelen zich geleidelijk.
De grootte-constantie is het vermogen om twee objecten op verschillende
afstanden als even groot te herkennen, hoewel de projectie van het verste object
op het netvlies veel kleiner is. Deze eigenschap begint zich te ontwikkelen
vanaf de eerste weken.

Helderheidsconstantie en vormconstantie

Met betrekking tot de visuele waarneming zijn nog
twee andere parameters van belang: helderheidsconstantie en vormconstantie. De
helderheidsconstantie is het vermogen de helderheid van een object te beoordelen
ongeacht de helderheid van de omgeving. De ontwikkeling van de
helderheidsconstantie lijkt erg op die van de vormconstantie. Deze laatste
parameter betreft het vermogen een object te herkennen ook al wordt het uit een
heel andere hoek bekeken.