Tag - Taalontwikkeling

Taalontwikkeling

De taal vormt de basis van alle sociale communicatie. De taal brengt ons een wereld die buiten ons waarnemingsvermogen ligt, dat wil zeggen: verleden, toekomst, wat zou kunnen gebeuren, wat elders gebeurt. Een groot deel van wat we geleerd hebben is afhay´kelijk van de taal. Taalkennis is essentieel voor bijna alle hogere mentale processen en daarmee voor de algemene en cognitieve ontwikkeling van het kind. Het vocaliseren van de zuigeling is voornamelijk afhankelijk van rijping van het zenuwstelsel en spierapparaat.

In de lalperiode produceert het kind alle geluiden die in welke taal dan ook voorkomen. Kinderen die doof zijn lallen overigens ook. Vaak wordt aangenomen dat het lallen een soort oefenen is. Dit is moeilijk vol te houden. Veel kinderen kunnen bepaalde medeklinkers (zoals de r) lange tijd niet uitspreken, hoewel ze dat in de lalperiode wel konden.
Bovendien moet de taal, in tegenstelling tot de brabbelperiode, aan drie criteria voldoen, en wel:

  • Een taaluiting moet soliditeit bezitten, herhaald kunnen worden.
  • Speelse fonetische elementen moeten tot een foneem gebundeld worden.

Ten slotte geldt als criterium het sociale element.

De peuter kan aan deze criteria nog niet direct voldoen. Het differentiatieproces is nog onvoldoende voortgeschreden. Pas tegen het eind van het eerste levensjaar begint het kind zinvolle associaties te leggen tussen woorden en kun betekenis. Met ongevey´r een jaar zal het zijn eerste woord uitspreken, waarna een periode van ongeveer drie maanden volgt gedurende welke de taalontwikkeling slechts langzaam vordert. Dan doet zich een snelle verbetering voor. Geleidelijk met de toenemende woordkennis wordt de spraak nauwkeuriger.

De spraak van de peuter van achttien maanden bestaat voor zestig procent uit zelfstandige naamwoorden en tussenwerpsels, maar dit percentage wordt geleidelijk minder. Tussen de twee en drie jaar gebruikt het kind naast de zelfstandige naamwoorden bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden.
De tweejarige spreekt met één-woord-zinnen. Tussen 3 en 3,5 jaar verbetert de articulatie bijzonder snel. Met 3,5 jaar maakt het kind zinnen van gemiddeld vier woorden, maar een half jaar later gebruikt het kind volledige zinnen van zes tot acht woorden.

Langzamerhand verbetert zich dan de grammaticale structuur.

Hoewel de omgeving de vroege spraakontwikkeling van de peuter gunstig of ongunstig kan beïnvloeden, geldt dit voor de kleuterperiode in veel sterkere mate. Ongunstige omstandigheden gedurende de eerste drie levensjaren leiden tot een beperking van de verbale vaardigheid, die niet meer in te halen is, ook al verbetert zich de situatie aanmerkelijk.
Het enig kind is in het algemeen voor op kinderen uit grote gezinnen (die minder met volwassenen en meer met elkaar communiceren).

Tweelingen, die sterk op elkaar betrokken zijn, zijn langzamer dan andere kinderen. Kinderen uit de lagere sociale milieus hebben een achterstand ten opzichte van de kinderen uit de hogere milieus, enerzijds door de geringere taalvaardigheid van de ouders, anderzijds door de geringere waardering van taalvaardigheid. Het is gebleken dat bij verhoogde stimulering door de omgeving de spraak van jonge kinderen uit de lagere milieus verbetert.

Hoewel de taal in het begin nog alleen als communicatiemiddel dient, wordt meer en meer ook het gedrag door de taal beheerst. Zuigelingen reageren niet op verbale instructies. Tussen een en twee jaar volgt een oriënteringsreactie, terwijl zulke instructies bij drie tot vierjarigen effectief kunnen zijn als het gaat om een actie waarmee het kind reeds begonnen was. Vanaf de leeftijd van zes jaar is de taal betrokken bij vrijwel alles wat het kind nieuw leert en laat het zijn gedrag leiden door de verbale bemiddeling.