Het spreken |
|
|
|
De geluidsproductie in de eerste levensmaanden is vooral een motorische functie,
die zich vermoedelijk op basis van een rijpingsproces ontwikkelt. Kinderen die
jonger dan twee maanden zijn kunnen ongeveer zeven fonemen uiten (fonemen zijn
de kleinste klankeenheden die voor spreker en luisteraar iets te betekenen
hebben).Drie maandenMet ongeveer drie maanden produceren baby’s herkenbare lettergrepen zoals dadada. Overigens produceren zuigelingen in deze fase geluiden puur voor hun plezier.Zes maandenRond de leeftijd van zes maanden begint het zogenaamde lallen. De zuigeling gebruikt nu ongeveer twaalf fonemen. De zuigeling ‘praat’ nu als het ware wanneer iemand zich met hem bezighoudt. De lettergrepen worden duidelijker en scherper. Het imiteren van“geluiden die anderen maken begint met ongeveer negen maanden. Vanaf dit tijdstip kan het kind ook verband leggen tussen woorden en hun betekenis.Tien, elf en twaalf maandenOmstreeks de leeftijd van tien maanden is het kind in staat eenvoudige opdrachten te begrijpen. Met elf tot twaalf maanden spreekt de zuigeling zijn eerste woord, meestal ‘mama’ of ‘papa’.De passieve taalkennis is dus groter dan de actieve, een fenomeen dat gedurende de rest van ons leven blijft bestaan. Daar de vroege productie van geluiden zich ontwikkelt op basis van het rijpingsproces, verloopt de ontwikkeling in een bepaalde volgorde. Zo verschijnen de geluiden die achter in de mond gevormd worden het eerst (bijvoorbeeld H), waarna de geluiden die met behulp van tanden en lippen gemaakt worden volgen. Kinderen, geboren in verschillende landen, uiten dezelfde klanken in dezelfde volgorde. De klanken die in het taalgebied waar het kind opgroeit niet voorkomen verdwijnen echter weer, vermoedelijk omdat ze niet gehoord of geoefend worden. Hoewel de volgorde van de ontwikkelingsfasen voor alle kinderen vrijwel gelijk is, zijn er vrij grote verschillen in frequentie en variatie van geluiden, alsmede in de duur van de verschillende fasen: - brabbelfase; - lalfase; - éénwoordfase enzovoort. Gedeeltelijk berusten deze verschillen op verschil in rijping. In tegenstelling echter tot de ontwikkeling van de motoriek speelt hier de omgeving een belangrijke rol. Kinderen uit tehuizen blijven in frequentie en variatie van geluiden achter bij gezinskinderen; kinderen uit een werknemersmilieu blijven achter bij kinderen uit de middenklasse. Het is gebleken dat de frequentie van spraakgeluiden kan worden verhoogd door beloning (toelachen enzovoort). Vermoedelijk berust een deel van de motivatie van een zuigeling om geluiden te produceren, later te imiteren en ten slotte woorden te spreken, op beloning door de omgeving in de zin van aandacht, toelachen, vertroetelen. De spraakontwikkeling kan dus wel degelijk door de omgeving worden vertraagd of gestimuleerd. |




